woensdag 4 mei 2016

Kousen breien op school in 1897 (1)

Ik ben dol op het uitpuzzelen van oude patronen. en ik heb me helemaal verlekkerd bij het digitaal doorbladeren van een oud breiboekje: Nuttige Handwerken, uit 1897 door Visser en Top. Lagere schoolmeisjes krijgen degelijke les in het breien van kousen, sokken, kniekousen (met knie), borstrokken, wanten en dergelijke nuttige zaken. Dit is het eerste deel van een serie over het breien van sokken en kousen volgens dit boekje. Er volgen nog drie of vier delen over allerlei verschillende hielen en tenen, en daarna over de kniekous en de sok. Hopelijk geniet je er net zo van als ik!
 
Bijgaande tekening van de onderdelen van een kous komt uit dit boekje. Het eerste deel van de cursus is een algemene uitleg van de kous. In deel 2 volgt het breien van de kleine hiel.

 
DE KOUS.
Eene kous bestaat uit twee deelen, het been en den voet. Onderdeelen van het been zijn: de boord, de knie, de kuit en de enkel. Onderdeelen van den voet zjjn: de hiel (bestaande uit grooten en kleinen hiel), de minderingvoet, de rechte voet en de teen. De wijdte van de kous hangt natuurlijk af van de dikte van het been, waarvoor ze bestemd is. Heeft men geene maatkous voor de wijdte, dan kan men ze zelf zoeken. Men meet met een centimeter het been boven de knie, breit met de te gebruiken stof op een opzetsel van zes of acht steken eenige toeren en meet dan de breedte van het gebreide lapje. Daardoor kan men zien hoeveel steken er op één centimeter gaan, en dit aantal met het aantal centimeters van de wijdte van het been vermenigvuldigend, verkrijgt men het totaal der opzetsteken. Wil men een sterk randje aan de kous hebben, dan zet men breiend op en breit dan het zoogenaamde muizentundje. Hiervoor breit men eerst zes toeren recht, daarna één toer omslaan, overhalen, hierop zeven toeren recht. Wanneer dit gedaan is, vouwt men het werk dubbel en breit de lussen van het opzetten en de steken der kous samen; boven dit muizentandje breit men dan de kous. Dit boord is willekeurig van lengte, gewoonlijk van 30 tot 40 toeren. De knie is even lang als breed, dus een vierkant. Wil men de kous boven de knie dragen, zonder ingebreide knie, dan maakt men ze ook wel anderhalf vierkant lang. In de kuit vallen de minderingen. Gewoonlijk mindert men ¼ van het aantal opzetsteken weg en breit dan 2/3  van de minderingen om de 4 naadjes en 1/3  om de drie.

Boven de kuit heeft men den enkel, die meest een half vierkant vormt. Is men erg gesteld op lange kousen, dan maakt men den enkel ook wel vierkant. fig. 90. Hiermee is het been voltooid. De steken van de opzetsteken), worden nu in 4 gelijke hoeveelheden verdeeld en aan elken kant van het naadje wordt een vierde deel gebracht. Op deze steken wordt de hiel gebreid in heen- en weergaande toeren, aan het begin en het eind van de naald zet men 2 steken van den kant een naadje; de eerste steek wordt altijd afgehaald. In den hiel maakt men zooveel naadjes als de helft van het aantal steken op de hielnaald bedraagt;
daarna breit men den kleinen hiel, die verschillend kan zijn. Is deze geëindigd, dan neemt men de lussen op zjj van den hiel op en verdeelt die met de steken, die van den hiel zijn over gebleven op twee breinaalden; de steken, die van het been ongebreid gebleven waren, vormen de wreefnaald van den voet. Op de wreefnaald zet men weer aan beide einden, twee steken van den kant, een naadje; op de rechtsche kleine naald wordt om den anderen toer twee steken van het eind af en op de linker, na eerst twee steken gebreid te hebben, overgehaald. Deze minderingvoet wordt voortgezet, tot er weer evenveel steken zjjn als op den enkel. Daarna breit men den rechten voet, die volgens berekening ongeveer tweemaal zoolang is als de minderingvoet. De rechte voet wordt ook wel een vierkant lang gebreid Men kan den geheelen voet ook zooveel naadjes lang breien als er steken op de wreefnaald staan. Op den voltooiden voet breit men den teen, die ook weer verschillend kan zijn.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten