donderdag 19 mei 2016

Pantoffel, breipatroon uit 1866

Pantoffel uit 1866


nodig: 8 lood roode, 4 lood zwarte castorwol 

Deze pantoffel wordt geheel door de vrouwenhand vervaardigd en kan zoowel in huis, als ook als overschoen in een rijtuig gedragen worden. Oorspronkelijk is de buitenzijde met zwarte en roode castorwol in een geruit patroon, de voering, die tevens de buitenzijde van de revers vormt en aan den bovenrand met nagemaakt bont gegarneerd is, met roode wol geheel recht gebreid. Het model is voor een voet van middelmatige grootte berekend, en moet van het midden van den hiel tot aan den teen 27 duim lengte hebben. Het kan evenwel door een grooter of kleiner getal steken op te zetten, naar de grootte van den voet worden ingericht.
Ter vervaardiging van ons model, dat men met het buitengedeelte begint, zet men op stalen breinaalden tusschen beide van grofte met de zwarte wol 162 steken op en sluit deze tot eene ronding. De 3 eerste toeren worden geheel averecht gebreid. In den 4den toer neemt men de roode wol en breit van den 4den tot den 7den toer afwisselend 3 steken recht met de roode wol, 3 averecht met de zwarte wol. Deze 7 toeren vormen een patroon, dat zich voortdurend voor het geheele buitenste gedeelte herhaalt. Met den 8sten toer begint de mindering. Deze wordt gedurig op dezelfde plaats uitgevoerd, men breit in den eenen toer de twee eerste steken, in den volgenden toer de beide laatste steken te zamen, bovendien mindert men nog in elken 5den toer, waarin men mindert tweemaal, dus aan het begin en einde telkens 1 steek. Op deze wijze breit men 52 toeren, dan verdeelt men de steken tusschen de beide minderingen en voltooit het werk verder met 22 toeren, die om de split voor de revers te vormen, heen en weder gewerkt worde, waarbij men van nu af aan het begin van elken toer 1 steek mindert. De 72ste laatste toer van het buitenste gedeelte moet dus 84 steken tellen, dan kant men af.
De voering van de pantoffel wordt geheel recht gebreid. Men maakt hiervoor met de roode wol een opzetsel van 146 steken en breit eerst 7 toeren. De mindering begint bij de 8ste toer en wordt tot aan den 42sten toer evenals bij het vervaardigen van het bovengedeelte uitgevoerd. Dan verdeelt men ook hierbij de steken voor de split, werkt heen en weder 16 toeren en kant dan af. De zool wordt met vaste steken, gedurig door den geheelen steek stekende, met de zwarte wol gehaakt. Men neemt hiervoor een van papier geknipt patroon van overeenkomende grootte; het fatsoen van de zool moet men door meerderen en minderen verkrijgen.
De voering en het buitengedeelte van de pantoffel wordt aan den onderrand met de zool over den kant aan elkander genaaid, beide gedeelten naait men ook aan den bovenrand te zamen en garneert de pantoffel aldaar met den reeds vermelden rand van nagebootst bont. Deze rand wordt men een toer vaste steken van zwarte wol over een franjehoutje van 2 ½ duim breedte gehaakt, in eene drievoudige laag op elkander en aan den bovenrand van de pantoffel genaaid. Vervolgens worden de lussen doorgesneden. Het bovengedeelte van de pantoffel wordt daarna tot aan het begin van de split naar de rechte zijde als een revers omgeslagen.

Aantekeningen:
  • een lood is 35 gram
  • castorwol is vrij dikke wol
  • een duim was in die tijd een centimeter

Geen opmerkingen:

Een reactie posten