donderdag 19 mei 2016

Slobkous, breipatroon uit 1868


Slobkous voor dames

nodig: Roode en zwarte zephirwol, dikke zwarte wol, stalen breinaalden

Aan deze slobkous is alleen het bovenste gedeelte, de rand, in de rondte gebreid, overigens is zij in de lengte in heen en teruggaande toeren in een gestreept patroon met roode en zwarte zephirwol gewerkt. De zool van de slobkous, zo ingericht dat de hiel van de schoen er door kan, is van dikke zwarte wol geknoopt.

Men begint de slobkous onder den rand, zet hiervoor met de zwarte wol op stalen breinaalden, de dikte overeenkomstig de wol, 16 steken op en breit twee toeren geheel recht. Aan het einde van den eersten toer worden in aansluiting aan dezen, 3 steken opgezet. Dan breit men met de roode wol eene streep van 4 toeren recht, waarbij men weder aan het einde van den eersten en derden toer in aansluiting aan dezen telkens 3 steken opzet; daarna volgt eene zwarte en eene roode streep op dezelfde wijze en met gelijke meerderingen; bij de 3de zwarte streep worden in den 3den toer 36 steken opgezet, zoodat nu het getal steken in het geheel 73 bedraagt. Men breit nu zonder meerderen 10 strepen, laat aan het einde van de laatste streep den draad hangen en begint de klink van onderen aan de slobkous: deze wordt insgelijks streepsgewijze heen- en teruggaande gewerkt. Men neemt hiervoor de beide laatste van de 72 steken op eene afzondelijke naald, breit in het geheel 12 strepen waarbij men in elken tweeden toer den volgenden van de 70 steken bij de steken van de klink mede breit, zoodat aan het einde van de 12de streep 26 steken op de naald zijn. Dan begint men weder van den bovenrand af met eene roode streep, zet in den 1sten toer hiervan 22, in den 3den toer 3 steken voor het voetblad op en breit voorts 5 strepen telkens 3 steken meerderende. Er volgen nu 9 strepen die zonder meerderen, die aan de teen van den voet komen. De 5de van deze 9 strepen vormt het midden van de slobkous, men werkt dus de tweede helft hiervan teruggaande op dezelfde wijze, doch men moet in plaats van het meerderen gedurig het genoemde aantal steken afkanten. De tweede klink daarentegen wordt met 26 steken begonnen, en door regelmatig aan eene zijde te minderen (telkens twee steken te zamen breien) spits toeloopende. In de eerste toer van de volgende streep, die dan weder over de geheele rij steken gewerkt wordt, neemt men de randsteken van de schuine zijde van de klink op, om het vereischte aantal steken te verkrijgen. Als het gebreide gedeelte is voltooid, dan naait men de slobkous aan de verkeerde zijde te zamen, neemt daarna de steken aan den bovenrand op de naalden en breit nu in de rondte 13 strepen afwisselend met zwarte en roode wol, elke streep uit 3 toeren telkens 2 recht, 2 steken averecht, bestaande.

aantekeningen bij dit patroon:
  • het patroon komt uit De Gracieuse van 1 januari 1868, p.16
  • zephirwol: tja, welke wol is dat? Ik denk dat het vrij dikke, zachte breiwol is voor naalddikte 3 of 3,5
  • Het oorspronkelijke patroon omvat ook nog een geknoopte zool. Mijn idee is om de gebreide slobkousen te bevestigen aan kant en klaar verkrijgbare pantoffelzolen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten